Politie mag smartphone niet zomaar doorzoeken

Wetgeving ingehaald door tijd

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft onlangs geoordeeld dat onze strafwetgeving ten aanzien van de doorzoeking van een smartphone de toets van artikel 8 EVRM (recht op eerbiediging van privé familie- en gezinsleven) niet kan doorstaan en dus eigenlijk verouderd is.

Wat is er in deze zaak voorgevallen? De verdachte werd (primair) openlijke geweldpleging en (subsidiair) mishandeling ten laste gelegd. Bij de aanhouding heeft de politie, conform de regels die gelden voor inbeslagneming, een iPhone in beslag genomen. Tijdens de doorzoeking van die telefoon is een een Whatsapp-gesprek ontdekt. Dit gesprek is aan het strafdossier toegevoegd en heeft mede tot een veroordeling geleid.

De verdediging heeft aangevoerd dat het door de politie verrichte onderzoek aan de telefoon van de verdachte onrechtmatig is wegens strijd met artikel 8 EVRM. Gesteld werd dat een smartphone 'een bron van opslag van het hele privé-leven van de gebruiker is'. Of met andere woorden: de wetgeving op het gebied van inbeslagneming is door de tijd ingehaald.

Verder voerde de verdediging aan dat artikel 94 Sv, waar de gronden voor inbeslagneming staan, onvoldoende begrenzing van de onderzoeksbevoegdheid van de politie biedt; dat levert strijd op met artikel 8 EVRM. De politie mag immers enkel een inbreuk maken op artikel 8 EVRM indien de bevoegdheid daartoe voldoende kenbaar en voorzienbaar in de wet staat omschreven.

Het Hof volgt de verdediging en oordeelt dat er via een smartphone niet alleen toegang wordt verkregen tot verkeersgegevens, maar ook tot communicatie en privé-informatie. De bevoegdheid tot doorzoeken wordt niet getoetst aan de subsidiariteit (is onderzoek noodzakelijk?) of proportionaliteit (rechtvaardigt de verdenking een inbreuk op artikel 8 EVRM?) en is zodanig ingrijpend dat de algemene bevoegdheidsomschrijving van artikel 94 Sv niet (meer) voldoende kenbaar en voorzienbaar is. Kort gezegd: omdat een smartphone vaak een volledige inkijk in het leven van de gebruiker geeft, moet de bevoegdheidsomschrijving aan meer eisen voldoen.

In casu is de verdachte in zijn recht op privacy geschonden, hetgeen een onherstelbaar vormverzuim is. Dat oordeel van het Hof heeft hem echter niet gebaat: het nadeel dat de verdachte ondervond van de schending was namelijk te gering, zo werd geoordeeld.

Ga terug

Overige blogs